ECLI:NL:CRVB:2019:3541
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-melding onderneming
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en was sinds 23 juni 2015 ingeschreven als directeur/bestuurder van een onderneming die een speelautomatenhal exploiteerde. Het college van burgemeester en wethouders van Groningen stelde een onderzoek in naar de rechtmatigheid van de bijstand na een melding. Uit het onderzoek bleek dat appellant zijn inlichtingenplicht had geschonden door niet te melden dat hij directeur was van de onderneming en geen informatie te verstrekken over zijn werkzaamheden en inkomsten.
Het college besloot de bijstand over de periode van 23 juni 2015 tot 30 juni 2016 in te trekken en de kosten van de bijstand terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat de terugvordering niet terecht was voor de periode vóór de opening van de speelautomatenhal, omdat hij toen geen werkzaamheden verrichtte en geen inkomsten had.
De Raad oordeelde dat schending van de inlichtingenplicht een rechtsgrond is voor intrekking van de bijstand indien het recht op bijstand daardoor niet kan worden vastgesteld. Appellant slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij recht had op bijstand in de betwiste periode, mede doordat hij niet de gevraagde financiële stukken had overgelegd. Ook zijn stelling dat hij niet betrokken was bij de exploitatie en dat er geen inkomsten waren, faalde omdat voorbereiding van een onderneming ook waardeerbare activiteiten omvat die van belang zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-naleving van de inlichtingenplicht.