Uitspraak
OVERWEGINGEN
19 oktober 2016.
Centrale Raad van Beroep
Appellante ontving bijstand tot juli 2016 en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Het dagelijks bestuur startte een onderzoek naar mogelijke gezamenlijke huishouding met appellant, mede naar aanleiding van een anonieme tip. Tijdens het onderzoek werden onder andere waarnemingen met een technisch hulpmiddel ingezet, waarvan de resultaten later als onrechtmatig werden beoordeeld.
Het dagelijks bestuur trok de bijstand van appellante in en vorderde het bedrag terug, stellende dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep stelde de Centrale Raad van Beroep vast dat de verklaring van appellante, die de gezamenlijke huishouding bevestigde, onlosmakelijk verbonden was met onrechtmatige waarnemingen en daarom als verboden vrucht buiten beschouwing moest blijven.
Hierdoor ontbrak een voldoende materiële grondslag voor het oordeel dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. De bestreden besluiten werden vernietigd en de eerdere besluiten herroepen. Tevens werd het dagelijks bestuur veroordeeld in de proceskosten van appellanten.
Uitkomst: De bestreden besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.