Uitspraak
18.2346 WW
OVERWEGINGEN
WW-uitkering toe te kennen. De rechtbank heeft geoordeeld dat voor een proceskostenveroordeling geen aanleiding bestaat.
geen sprake kan zijn van herleving van WW-uitkering.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was werkzaam als depothouder/koerier en meldde zich in 2012 ziek. Na beëindiging van zijn dienstverband ontving hij een Ziektewetuitkering, die later werd beëindigd en omgezet in een WW-uitkering. De rechtbank verklaarde de beëindiging van de ZW-uitkering gegrond en het UWV keerde een WGA-uitkering toe met 100% arbeidsongeschiktheid, gevolgd door een loonaanvullingsuitkering.
In 2016 weigerde het UWV appellant opnieuw een WW-uitkering toe te kennen omdat hij in de referteperiode minder dan 26 weken had gewerkt, mede omdat weken die al voor de WGA-uitkering waren meegeteld niet opnieuw mogen worden meegeteld. De rechtbank oordeelde dat het UWV de WW-aanvraag terecht had afgewezen en wees het beroep van appellant af.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de rechtbank onjuist had geoordeeld en dat het UWV de uitzonderingsmogelijkheid van artikel 21, derde lid, WW niet had toegepast. Ook stelde hij dat het gelijkheidsbeginsel toekenning van de WW-uitkering rechtvaardigde. De Centrale Raad van Beroep onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat appellant niet voldeed aan de referte-eis en dat er geen recht op WW-uitkering bestond.
De Raad bevestigde dat de aanvankelijk toegekende WW-uitkering was beëindigd omdat appellant recht had op ziekengeld en dat daardoor geen sprake was van herleving van de WW-uitkering. Ook wees de Raad het verzoek tot proceskostenveroordeling af. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WW-uitkering van appellant per 12 januari 2017 heeft afgewezen wegens niet voldoen aan de referte-eis.