Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2016:930

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 maart 2016
Publicatiedatum
16 maart 2016
Zaaknummer
14/3025 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17a WWArt. 58 Wet WIA
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis na WIA-uitkering

Appellante had na intrekking van haar WIA-uitkering een WW-uitkering aangevraagd. Het UWV weigerde deze omdat zij in de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid niet in ten minste 26 weken had gewerkt, waarbij de gewerkte weken die al waren meegeteld voor de WIA-uitkering niet opnieuw konden worden gebruikt.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat artikel 17a, tweede lid, van de WW dit verbiedt. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij wel aan de referte-eis voldeed, maar het UWV en de Raad verwierpen dit standpunt.

De Raad overwoog dat de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA mede gebaseerd was op het voldoen aan de referte-eis. Volgens vaste rechtspraak mogen arbeidsuren die al zijn gebruikt voor een WIA-uitkering niet opnieuw worden meegeteld voor een WW-uitkering.

Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de referte-eis na toekenning van een WIA-uitkering.

Uitspraak

14/3025 WW
Datum uitspraak: 9 maart 2016
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van
18 april 2014, 13/1993 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I. Wudka, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2016. Namens appellante is
mr. Wudka verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. W.J.M.H. Lagerwaard.

OVERWEGINGEN

1.1.
Naar aanleiding van de intrekking van de uitkering van appellante op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft appellante per 11 december 2012 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd.
1.2.
Bij besluit van 21 december 2012 heeft het Uwv geweigerd aan appellante WW-uitkering te verstrekken, omdat appellante niet in de 36 weken voordat zij werkloos werd in ten minste 26 weken heeft gewerkt. Daarbij is er rekening mee gehouden dat de gewerkte weken die vooraf gingen aan de toekenning van de WIA-uitkering niet nogmaals mogen meetellen voor het recht op WW-uitkering.
1.3.
Bij beslissing op bezwaar van 14 mei 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder verwijzing naar artikel 17a, tweede lid, van de WW, het bezwaar van appellante tegen het besluit van 21 december 2012 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het door appellante tegen het bestreden besluit ingesteld beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in artikel 17a, tweede lid, van de WW is bepaald dat voor de vaststelling van de referte-eis in het kader van de vaststelling van een recht op WW de arbeidsuren in een kalenderweek slechts in aanmerking worden genomen voor zover deze niet reeds eerder hebben geleid tot het ontstaan van een recht op uitkering op grond van hoofdstuk 7 van de Wet WIA. Omdat aan appellante reeds (mede) vanwege het voldoen aan de referte-eis een WIA-uitkering is toegekend, kunnen deze uren niet (nogmaals) in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van een recht op WW-uitkering.
3.1.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij wel heeft voldaan aan de referte-eis in het kader van de WW.
3.2.
Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Aan appellante is een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA toegekend. Om voor een dergelijke uitkering in aanmerking te komen moet voldaan worden aan de referte-eis als bedoeld in artikel 58, eerste lid, onder a, van de Wet WIA. Zowel in het bestreden besluit als in het verweerschrift in eerste aanleg heeft het Uwv toegelicht dat de WGA-uitkering (mede) is toegekend omdat aan die referte-eis is voldaan. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat artikel 17a, tweede lid, van de WW zich er tegen verzet dat arbeidsuren die in aanmerking zijn genomen bij de vaststelling van het recht op
WIA-uitkering nogmaals in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van het recht op WW-uitkering (vgl. ECLI:NL:CRVB:2015:3464).
4.2.
Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe als voorzitter en C.C.W. Lange en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2016.
(getekend) M. Greebe
(getekend) R.L. Rijnen

UM