Uitspraak
18.2379 WIA, 19/2178 WIA
OVERWEGINGEN
WGA-loonaanvullingsuitkering.
.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant, voormalig depothouder/koerier, meldde zich in 2012 ziek en ontving aanvankelijk een WGA-uitkering. Na herbeoordelingen besloot het UWV in 2016 en 2017 de WIA-uitkering te beëindigen vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Appellant maakte bezwaar en voerde onder meer aan dat onvoldoende rekening was gehouden met zijn medische situatie, medicatiegebruik en arbeidskundige beoordeling.
De rechtbanken verklaarden het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medische en arbeidskundige onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft dit oordeel en stelt vast dat het dossieronderzoek door de arbeidsdeskundige volstaat en dat de beperkingen adequaat in de Functionele Mogelijkhedenlijst zijn verwerkt.
De Raad benadrukt dat artikel 57 van Pro de Wet WIA alleen toename van medische beperkingen beoordeelt en concludeert dat er per 12 oktober 2017 geen toename was. Daarom is een nieuwe arbeidskundige beoordeling niet aan de orde. De hoger beroepen worden afgewezen en de eerdere uitspraken bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellant per 12 oktober 2017 een WIA-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.