ECLI:NL:CRVB:2019:3579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis
Appellante heeft een WW-uitkering aangevraagd na beëindiging van haar dienstverband via een vaststellingsovereenkomst. Het UWV heeft de uitkering geweigerd omdat zij niet voldeed aan de referte-eis van artikel 17 WW Pro, die vereist dat een werknemer in 36 weken voorafgaand aan werkloosheid minimaal 26 weken heeft gewerkt.
De rechtbank Gelderland heeft het bezwaar van appellante tegen deze weigering ongegrond verklaard en vastgesteld dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de referteperiode ziek was door een arbeidsconflict of onbetaald verlof genoot, zoals vereist voor een uitzondering op de referte-eis volgens artikel 17a WW.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar werkgever zich onzorgvuldig had opgesteld bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst en dat een medewerker van het UWV haar telefonisch had verzekerd van recht op WW-uitkering. De Raad oordeelde dat deze omstandigheden niet vallen onder de strikt te interpreteren uitzonderingen van artikel 17a WW en dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt vanwege het ontbreken van ondubbelzinnige toezeggingen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarmee het oordeel van de rechtbank en het UWV dat appellante geen recht heeft op een WW-uitkering per 1 maart 2017. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens niet voldoen aan de referte-eis.