ECLI:NL:CRVB:2019:3585
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering na zorgvuldig medisch onderzoek en vaststelling arbeidsongeschiktheid onder 35%
Appellant was werkzaam als projectleider/onderzoeker en vroeg in 2009 een WIA-uitkering aan, die werd afgewezen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid. Na aanpassing van zijn arbeidsomvang naar gemiddeld 22 uur per week en een toename van energetische beperkingen, vroeg appellant opnieuw een WIA-uitkering aan die aanvankelijk werd toegekend per 27 november 2014.
De ex-werkgever maakte bezwaar tegen deze toekenning, stellende dat het Uwv onterecht was uitgegaan van een urenbeperking van 20 uur per week. De verzekeringsarts bezwaar en beroep corrigeerde de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en de arbeidsdeskundige stelde op basis van de feitelijke gemiddelde werktijd van 22 uur per week vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het Uwv beëindigde daarop de WIA-uitkering per 27 januari 2017.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beëindiging ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen op juiste wijze waren beoordeeld. In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn werkelijke belastbaarheid en het zomer/winterrooster niet waren meegewogen en verwees naar een latere IVA-uitkering.
De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was verricht, dat de FML van 15 augustus 2016 juist was en dat de arbeidsdeskundige terecht uitging van de feitelijke gemiddelde werktijd van 22 uur per week. De latere IVA-uitkering had betrekking op een veel latere datum en deed niet af aan de beoordeling per 27 november 2014. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering omdat het arbeidsongeschiktheidspercentage terecht onder de 35% is vastgesteld.