Uitspraak
17.5231 AKW
mr. A. Marijnissen.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, met Nederlandse nationaliteit, verhuisde in 2008 met zijn gezin naar Marokko, waarna de kinderbijslag werd beëindigd. In maart 2016 keerde hij terug naar Nederland en schreef zich in, maar zijn gezin bleef in Marokko. Hij woonde tijdelijk bij familie in Amsterdam en verhuisde in november 2016 naar België.
De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde kinderbijslag over het tweede kwartaal van 2016 omdat appellant geen ingezetene van Nederland was. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat appellant geen duurzame persoonlijke band met Nederland had vanwege het ontbreken van zelfstandige woonruimte en het korte verblijf.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanaf het tweede kwartaal van 2016 ingezetene was en recht had op kinderbijslag, met de intentie om in Nederland te wonen. De Raad oordeelde dat volgens vaste jurisprudentie de duurzame band met Nederland ontbrak, mede door langdurig verblijf in Marokko en het feitelijk ontbreken van zelfstandige woonruimte.
De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van kinderbijslag wegens ontbreken van ingezetenschap wordt bevestigd.