Uitspraak
17.887 WIA
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van de wettelijke rente af;
Centrale Raad van Beroep
In deze zaak staat de medische geschiktheid van geselecteerde functies centraal, waarbij het geschil zich richt op de vraag of appellant beperkt is in het uitvoeren van werk met een dwingend werktempo. De Raad verwijst naar een eerdere tussenuitspraak waarin het besluit van het UWV werd gekwalificeerd als onvoldoende gemotiveerd vanwege het ontbreken van een beperking op het dwingend werktempo. Het UWV heeft vervolgens de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast en een arbeidsdeskundig onderzoek laten uitvoeren.
De arbeidsdeskundige concludeerde dat ondanks het aangepaste rapport en de beperking op het dwingend werktempo, er voldoende geschikte functies zijn waarin appellant kan werken zonder overschrijding van zijn belastbaarheid. Appellant betwistte deze conclusie en stelde dat de motivering te globaal was en dat productiewerk per definitie een dwingend werktempo vereist.
De Raad oordeelt dat de arbeidsdeskundige voldoende heeft gemotiveerd waarom de geselecteerde functies passend zijn, ook voor functies met productiewerk. De beperking houdt in dat appellant niet voortdurend moet worden aangespoord om binnen een gestelde tijd een resultaat te behalen, maar een dwingend werktempo op zich vormt geen belemmering. De Raad vernietigt de eerdere uitspraak, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, maar laat de rechtsgevolgen in stand, waarmee het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het UWV heeft terecht een WIA-uitkering geweigerd omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is.