ECLI:NL:CRVB:2019:3677
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante vorderde een WIA-uitkering met ingang van 13 oktober 2013, maar het UWV weigerde deze omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na eerdere procedures en een deskundigenrapport waarin depressieve en angstklachten werden vastgesteld, werd de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast en een nieuwe beoordeling uitgevoerd.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV de beperkingen van appellante juist had weergegeven in de FML van 28 april 2019 en dat de arbeidsdeskundige rapporten voldoende inzicht boden in de geschiktheid van de geselecteerde functies. De stelling van appellante dat zij volledig arbeidsongeschikt zou zijn en dat excessief ziekteverzuim te verwachten was, werd niet voldoende onderbouwd.
Daarom verklaarde de Raad het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van 24 juni 2019. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door J.S. van der Kolk op 20 november 2019.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van het UWV om geen WIA-uitkering toe te kennen wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard.