ECLI:NL:CRVB:2019:3700
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op studiefinanciering voor EU-burger zonder aantoonbare economische activiteit
Appellante, een Roemeense EU-burger, had studiefinanciering ontvangen op basis van een vermeende arbeidsovereenkomst met een bedrijf. De minister herzag deze toekenning nadat bleek dat appellante niet het aantal uren had gewerkt zoals vermeld op loonstroken, en stelde het recht op studiefinanciering over bepaalde periodes op nihil. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij daadwerkelijk arbeid had verricht en dat het zich alleen beschikbaar houden voor werk niet volstaat.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel arbeid had verricht als promotiemedewerker en schrijver, en dat zij als werknemer moest worden beschouwd. Tevens stelde zij dat zij recht had op een bedrag voor studiekosten en een reisvoorziening, ook als economisch niet-actieve EU-burger. De Raad oordeelde dat appellante niet als migrerend werknemer kon worden aangemerkt omdat zij geen reële en daadwerkelijke arbeid had verricht. Het zich beschikbaar houden voor werk is onvoldoende, zeker zonder bewijs van daadwerkelijke arbeid.
Verder oordeelde de Raad dat het bedrag voor boeken en leermiddelen onderdeel is van het bedrag voor levensonderhoud en dus onder de verblijfsvoorwaarde van vijf jaar valt. De reisvoorziening valt ook onder dit bedrag en kan daarom niet los worden toegekend aan economisch niet-actieven zonder langdurig verblijf. De herziening van de studiefinanciering was terecht omdat appellante wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat de toekenning onjuist was.
De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen; appellante heeft geen recht op studiefinanciering wegens ontbreken van daadwerkelijke arbeid.