Uitspraak
18.5305 AW
27 augustus 2018, 17/4326 (aangevallen uitspraak)
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Centrale Raad van Beroep
Appellant was sinds 1985 in dienst van de Rijksdienst voor het wegverkeer (RDW) en werd veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens het plegen van seksuele handelingen met een vijftienjarig meisje. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat appellant verminderd toerekeningsvatbaar was, maar dat er rekening gehouden moest worden met recidivegevaar.
Op grond van deze veroordeling verleende de directie van de RDW appellant ontslag met ingang van 1 juni 2017, primair op grond van artikel 139 van Pro het Rechtspositiereglement RDW. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep tegen dit ontslag ongegrond, waarbij werd overwogen dat het vertrouwen in appellant onherstelbaar was geschaad en dat voortzetting van het dienstverband niet kon worden verlangd.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de directie bevoegd was en in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Het belang van de directie bij het voorkomen van reputatieschade en het risico op recidive weegt zwaarder dan het belang van appellant bij voortzetting van het dienstverband. De lange staat van dienst en de financiële gevolgen van ontslag wegen onvoldoende mee. Het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het ontslag van appellant wordt bevestigd wegens onherstelbare schending van vertrouwen na veroordeling voor een seksueel misdrijf.