ECLI:NL:CRVB:2020:2823
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering voorschot WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag RDW wegens zedenmisdrijf
Appellant was sinds 1985 in dienst bij de RDW en werd in 2016 geschorst na zijn hechtenis wegens een strafbaar feit. Hij werd in januari 2017 door de strafrechter veroordeeld tot een gevangenisstraf en taakstraf wegens een zedenmisdrijf waarbij hij gebruik maakte van RDW-middelen, deels onder werktijd. De RDW verleende hem ontslag per 1 juni 2017 op grond van het Rechtspositiereglement vanwege deze onherroepelijke veroordeling.
Appellant vroeg een WW-uitkering aan, maar het UWV wees deze af wegens verwijtbare werkloosheid, omdat het ontslag een dringende reden vormde. Het UWV stelde een voorschot op nihil vast, in afwachting van de rechtsgeldigheid van het ontslag. De rechtbank en de Raad bevestigden dit besluit.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn gedragingen privé waren en dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder een psychologisch behandelplan. De Raad oordeelde echter dat de gedragingen van appellant, gezien de functie-eisen en het vertrouwen bij de RDW, een dringende reden vormden en dat verwijtbaarheid vaststond. Het behandelplan bood geen grond voor een ander oordeel.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de eerdere uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het voorschot op nihil voor de WW-uitkering wordt bevestigd wegens verwijtbare werkloosheid na ontslag.