ECLI:NL:CRVB:2019:3748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- Rechtspraak.nl
Geen terugwerkende kracht bij toekenning bijstand zonder bijzondere omstandigheden
Appellant ontving tot 22 augustus 2017 een WW-uitkering en vroeg op 1 november 2017 bijstand aan met terugwerkende kracht vanaf 22 augustus 2017. Het college kende bijstand toe vanaf 1 november 2017 en weigerde terugwerkende kracht toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep.
De Raad toetste of er bijzondere omstandigheden waren die terugwerkende kracht rechtvaardigen. Appellant stelde dat hij de uitkomst van het bezwaar tegen de beëindiging van zijn WW-uitkering afwachtte en bang was voor terugvordering bij bijstand. De Raad oordeelde dat dit geen bijzondere omstandigheden zijn, omdat appellant tijdig was geïnformeerd en bijstand had kunnen aanvragen vóór de beëindiging of binnen vijf dagen na het besluit.
De Raad bevestigde dat het afwachten van een bezwaarprocedure en de vrees voor terugvordering geen grond vormen voor terugwerkende kracht. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De bijstand wordt toegekend vanaf de datum van aanvraag, geen terugwerkende kracht toegekend wegens ontbreken bijzondere omstandigheden.