ECLI:NL:CRVB:2019:3749
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet gemelde bankbijschrijvingen
Appellanten ontvingen bijstand op grond van de Participatiewet en kregen een herzieningsbesluit waarbij het college de bijstand over december 2017 en januari 2018 herzag en een bedrag van €559,77 terugvorderde. Dit was gebaseerd op vijf bijschrijvingen van in totaal €565,- door een derde op de bankrekening van appellante, die als oncontroleerbare inkomsten werden aangemerkt.
Appellanten stelden dat het geld bestemd was voor hun zoon die klusjes voor de derde had gedaan en geen pinpas had, maar konden dit niet met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en verwierp ook de stelling dat de derde en de persoon die de verklaring aflegde dezelfde waren.
In hoger beroep herhaalden appellanten hun stellingen, maar de Raad volgde de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank dat de bijschrijvingen als inkomsten moeten worden beschouwd. De Raad benadrukte dat kasstortingen en bankbijschrijvingen in principe als middelen in de zin van de Participatiewet gelden en dat appellanten geen nieuwe objectieve bewijsstukken hadden overgelegd.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening en terugvordering van bijstand wegens niet gemelde bankbijschrijvingen.