ECLI:NL:CRVB:2019:3751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of omstandigheden
Appellant, werkzaam geweest als industrial cleaning werker, heeft sinds 2001 diverse keren een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen, waaronder een WAO-uitkering die in 2002 werd beëindigd wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid. Na een periode van herstel en een dienstverband als vakantiekracht, heeft appellant in 2015 en 2017 verzoeken ingediend tot toekenning van een WIA-uitkering.
Het UWV heeft deze verzoeken afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die aanleiding gaven om eerdere besluiten terug te nemen. De rechtbank heeft deze afwijzingen bevestigd en geoordeeld dat appellant onvoldoende onderbouwing heeft geleverd voor een nieuwe aanvraag of herziening.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij nieuwe feiten had toegevoegd en dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was, maar de Raad concludeert dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangetoond en dat de medische beoordeling zorgvuldig was. Ook is niet gebleken van een eerste ziektedag na 2013 die een nieuwe aanvraag zou rechtvaardigen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek tot toekenning van een WIA-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.