ECLI:NL:CRVB:2019:3762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering persoonsgebonden budget wegens niet-naleving administratieve verplichtingen
Appellant ontving voor de jaren 2011 tot en met 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) van het zorgkantoor. Het zorgkantoor stelde het pgb voor deze jaren vast en vorderde bedragen terug wegens niet-naleving van administratieve verplichtingen en onvoldoende bewijs van geleverde zorg.
De rechtbank Rotterdam verklaarde de beroepen van appellant tegen de terugvorderingen ongegrond. De rechtbank oordeelde dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd voor de gedeclareerde zorgkosten, waaronder kosten voor zorgverleners en vakantiezorg, en dat de belangenafweging van het zorgkantoor niet onevenredig was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat de zorg wel was geleverd en contant was betaald, ondersteund door ondertekende kwitanties. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant niet voldeed aan de administratieve verplichtingen en dat het zorgkantoor terecht het pgb lager had vastgesteld. De Raad bevestigde dat de bewijslast bij appellant ligt en dat onvoldoende gespecificeerde urendeclaraties en betalingsbewijzen het bewijsrisico bij appellant leggen.
De Raad oordeelde dat de rechtbank de gronden van appellant deugdelijk had gemotiveerd en dat appellant geen nieuwe onderbouwing had geleverd. De verstrekking van verantwoordingsformulieren aan de Belastingdienst door de bewindvoerder was niet relevant voor de beoordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van het pgb bevestigd.