ECLI:NL:CRVB:2019:3806

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 november 2019
Publicatiedatum
29 november 2019
Zaaknummer
18/759 PW-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening en terugvordering bijstand wegens niet-gemelde stortingen

Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en werd onderzocht naar aanleiding van een anonieme tip over niet-gemelde contante stortingen en bijschrijvingen van derden op haar bankrekening.

Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam herzag de bijstand en vorderde €4.110,03 terug over de periode januari tot en met september 2016. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel.

Appellante voerde aan dat zij ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan het bezwaarbesluit en dat er dringende redenen waren om terugvordering achterwege te laten, waaronder haar situatie als alleenstaande moeder en verblijf op een geheim adres.

De Raad oordeelde dat het college de hoorprocedure correct had gevolgd via de antwoordkaartmethode en dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij gehoord wilde worden. Ook waren de aangevoerde dringende redenen onvoldoende onderbouwd en niet uitzonderlijk in de zin van de jurisprudentie.

De terugvordering blijft gehandhaafd en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van €4.110,03 en wijst het beroep af.

Uitspraak

18/759 PW-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Datum uitspraak: 19 november 2019
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 20 december 2017, 17/2558 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)
Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte, als lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: J.B. Beerens
Appellante noch haar gemachtigde, mr. M. Shabaan, advocaat, is – zoals bericht – verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Wintjes.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.
Appellante ontving sinds 13 augustus 2015 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet naar de norm voor een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme tip heeft het college op 26 mei 2016 een onderzoek doen starten naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Er is dossieronderzoek verricht, er zijn bankafschriften opgevraagd en appellante is op 18 oktober 2016 gehoord. Het college heeft vastgesteld dat appellante contante stortingen en bijschrijvingen van derden niet heeft gemeld. Bij besluit van 7 december 2016, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 10 april 2017 (bestreden besluit), heeft het college daarom de bijstand van appellante over de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 september 2016 herzien en over die periode € 4.110,03 teruggevorderd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het college er ten onrechte van heeft afgezien haar te horen alvorens op haar bezwaar te beslissen. Deze beroepsgrond slaagt niet. Vaststaat dat het college gebruik heeft gemaakt van de zogenoemde antwoordkaartmethode als bedoeld in artikel 7:3, onder d, van de Algemene wet bestuursrecht en haar daartoe een antwoordformulier toegestuurd om te laten weten dat zij in bezwaar gehoord wilde worden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij het formulier heeft teruggestuurd en dat het door het college is ontvangen. Ook anderszins heeft appellante niet laten weten dat zij gehoord wilde worden in bezwaar. Dit betekent dat het college terecht heeft afgezien van het horen van appellante.
Verder heeft appellante aangevoerd dat er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering. Appellante heeft aangevoerd dat deze dringende redenen zijn gelegen in dat zij een alleenstaande moeder is die zorgt voor haar pasgeboren zoon en vanwege een dreiging in de relationele sfeer geruime tijd op een geheim adres heeft verbleven. Deze beroepsgrond slaagt evenmin.
Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 15 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3312) kunnen dringende redenen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen aannemelijk moeten maken.
Het zijn van een alleenstaande moeder met de zorg voor een pasgeboren zoon is geen bijzondere omstandigheid als hiervoor bedoeld. Dat appellante op een geheim adres moest verblijven heeft appellante op geen enkele manier onderbouwd en heeft zij dus niet aannemelijk gemaakt. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is dus niet gebleken.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer
(getekend) J.B. Beerens (getekend) O.L.H.W.I. Korte
Voor eensluidend afschrift
de griffier van de
Centrale Raad van Beroep.