Uitspraak
17.4390 ZW
OVERWEGINGEN
22 juni 2016 ten grondslag gelegd.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, laatst werkzaam als schoonmaakster, meldde zich ziek op 8 mei 2015 en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling achtte een verzekeringsarts haar belastbaar met beperkingen vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Een arbeidsdeskundige stelde vast dat zij niet haar eigen werk kon verrichten maar wel geschikt was voor andere functies, waarop het UWV het ziekengeld beëindigde per 7 juni 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen niet waren onderschat. De Raad bevestigt dit oordeel in hoger beroep, wijst herhaalde bezwaren af en stelt vast dat de verzekeringsartsen terecht geen aanvullende medische informatie hoefden op te vragen. Ook de psychische beperkingen en medicatiegebruik rechtvaardigen geen andere beoordeling.
De arbeidskundige onderbouwing is eveneens voldoende gemotiveerd. De Raad concludeert dat het UWV op goede gronden het ziekengeld heeft beëindigd en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van het ziekengeld van appellante per 7 juni 2016.