Uitspraak
17.2696 WAJONG
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, geboren in 1997, vroeg op 15 september 2015 een Wajong-uitkering aan wegens PDD NOS en leerachterstand, met vermelding van grote behoefte aan begeleiding. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant volgens medisch en arbeidskundig onderzoek arbeidsvermogen heeft. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen, waarna de rechtbank Rotterdam het beroep ongegrond verklaarde.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij vanwege forse sociale en mentale beperkingen niet kan werken en daarom recht heeft op een Wajong-uitkering. Het UWV onderbouwde haar standpunt met rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen die een zorgvuldig onderzoek hadden verricht.
De Raad oordeelde dat appellant weliswaar beperkingen heeft, maar dat hij met intensieve begeleiding en een praktische benadering in staat is een eenvoudige, gestructureerde taak uit te voeren, zoals schoonmaken van schappen, zonder interactie met collega’s. De arbeidsdeskundigen concludeerden dat appellant basale werknemersvaardigheden bezit en ervaring heeft opgedaan tijdens stages.
Gelet op deze bevindingen en het wettelijk kader, bevestigde de Raad het oordeel van de rechtbank dat appellant op zijn achttiende verjaardag over arbeidsvermogen beschikte en daarom niet als jonggehandicapte in de zin van de Wajong kan worden aangemerkt. Het hoger beroep werd afgewezen.
Uitkomst: Hoger beroep afgewezen; appellant beschikt over arbeidsvermogen en komt niet in aanmerking voor Wajong-uitkering.