ECLI:NL:CRVB:2019:3895
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig productiemedewerker, was aanvankelijk arbeidsongeschikt verklaard met een mate van 80 tot 100% en ontving een WGA-uitkering. Deze uitkering werd in 2012 beëindigd. In 2015 vroeg appellant een hernieuwde WIA-uitkering aan wegens vermeende toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde de uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar, dat door het UWV ongegrond werd verklaard, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank Gelderland. De rechtbank oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de beperkingen van appellant juist waren vastgesteld, waarbij de functionele mogelijkhedenlijst (FML) als uitgangspunt diende. Een onafhankelijke deskundige werd niet benoemd omdat appellant geen medische onderbouwing gaf die twijfel zou zaaien.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen waren onderschat en verzocht om benoeming van een onafhankelijke psychiater. De Raad volgde dit niet en oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische informatie in te dienen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de beperkingen en belastbaarheid van appellant adequaat waren vastgesteld en dat de geselecteerde functies passend waren. De medische informatie van de behandelend psychiater uit 2019 riep geen twijfel op over de situatie per 12 juli 2015. De Raad zag daarom geen reden voor een onafhankelijke deskundige.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.