Uitspraak
17.6913 WIA
OVERWEGINGEN
.
Centrale Raad van Beroep
Appellant, laatstelijk vrachtwagenchauffeur, meldde zich ziek met fysieke en psychische klachten. Een verzekeringsarts stelde beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van maart 2016. Een arbeidsdeskundige concludeerde dat appellant niet geschikt was voor zijn laatste werk, maar minder dan 35% arbeidsongeschikt was op basis van geselecteerde voorbeeldfuncties.
Het UWV weigerde daarom een WIA-uitkering toe te kennen. Appellant maakte bezwaar en beroep, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige handhaafden de beoordeling. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende was en dat zijn beperkingen werden onderschat, onder meer door pijnklachten en psychische problemen. Hij vroeg om inschakeling van een deskundige. De Raad concludeerde dat het onderzoek zorgvuldig was, dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische stukken in te dienen, en dat de verzekeringsarts de klachten en beperkingen adequaat had beoordeeld.
De Raad vond geen aanleiding om het oordeel van het UWV te wijzigen en bevestigde het besluit dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen WIA-uitkering ontvangt. Er werd geen deskundige benoemd en de proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.