Uitspraak
17 februari 2017, 16/3988 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als taxichauffeur rolstoelvervoer, meldde zich ziek met knieklachten en kreeg een WGA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van circa 46%. Na een herbeoordeling beëindigde het UWV de vervolguitkering omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% werd vastgesteld op grond van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar ongegrond omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en alle relevante medische informatie was meegewogen. De rechtbank zag geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen groter waren dan vastgesteld en verzocht om een onafhankelijke deskundige. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe feiten of gronden bevatte die aanleiding gaven het eerdere oordeel te wijzigen. De aanvullende medische stukken ondersteunden de stelling van appellant niet. Het verzoek tot benoeming van een deskundige werd afgewezen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WGA-vervolguitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.