ECLI:NL:CRVB:2014:4310
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit WGA-uitkering bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid van 35,36%
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het UWV-besluit waarin zijn arbeidsongeschiktheid op 35,36% werd vastgesteld en recht op een WGA-uitkering werd toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
Appellant voerde aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat hij meer beperkingen had dan vastgesteld, onder meer vanwege een angststoornis. Hij stelde dat de rechtbank ten onrechte een deskundigenonderzoek had geweigerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende onderzoek had gedaan.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep beschikte over voldoende medische informatie en dat het ontbreken van een zelfstandig medisch onderzoek niet leidt tot onzorgvuldigheid. De Raad vond geen reden om te twijfelen aan het verzekeringsgeneeskundig oordeel en bevestigde dat appellant in staat is om licht gestructureerd werk te verrichten zonder arbeidsduurbeperking.
De Raad wees ook het beroep af dat appellant als volledig en duurzaam arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt. Gezien de mate van arbeidsongeschiktheid van 35,36% is dit niet het geval. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot toekenning van een WGA-uitkering met 35,36% arbeidsongeschiktheid bevestigd.