ECLI:NL:CRVB:2019:3956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onvoldoende aannemelijkheid overdracht en onroerende zaken
Appellanten ontvingen vanaf 2003 bijstand en deden in 2015 en 2016 aanvragen voor bijstand onder de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde deze aanvragen omdat appellanten onvoldoende informatie verstrekten over de overdracht van een onroerende zaak in Turkije (onroerende zaak 1) en de waarde van een perceel grond (onroerende zaak 2).
De Raad stelde vast dat onroerende zaak 1 van appellant op naam van zijn zoon was geregistreerd vanaf 8 augustus 2011, maar appellanten konden niet aannemelijk maken dat deze overdracht kosteloos had plaatsgevonden. Er was een discrepantie tussen de officiële eigendomsoverdracht documenten en de gemeentelijke belastingaangifte, die niet door appellanten was opgehelderd. Verder kon de slechte financiële situatie van appellanten niet leiden tot de conclusie dat de overdracht als schenking moest worden gezien.
Ten aanzien van onroerende zaak 2 erkende de Raad dat de door appellanten overgelegde belastingwaarde niet representatief is voor de marktwaarde in Turkije. Het was aan appellanten om de waarde aannemelijk te maken, wat zij niet deden. Het college bood aan nader onderzoek te verrichten, maar appellanten maakten geen gebruik van dit aanbod.
Gelet op de onderzoeksplicht van het college en de medewerkingsplicht van appellanten kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De Raad verklaarde de hoger beroepen ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank Midden-Nederland. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvragen wegens onvoldoende aannemelijkheid overdracht en onroerende zaken.