Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet en verzocht het college telefonisch om toestemming om drie maanden in het buitenland te verblijven zonder verlies van uitkering. Het college stuurde een brief waarin werd meegedeeld dat langer dan vier weken verblijf in het buitenland niet is toegestaan met behoud van bijstand. Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het college verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Awb is.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. In hoger beroep stelde appellant dat de brief wel een besluit was en dat het college onterecht het bezwaar niet-ontvankelijk had verklaard. De Raad oordeelde dat de brief slechts algemene informatie bevat over rechten en plichten bij verblijf in het buitenland en geen concreet rechtsgevolg heeft. Een besluit volgt pas na een feitelijke beoordeling van het daadwerkelijke verblijf.
Appellant voerde aan dat het voor zijn gezondheid belangrijk was vooraf duidelijkheid te krijgen, maar de Raad vond dit onvoldoende om bijzondere omstandigheden aan te nemen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezeggingen waren gedaan. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.