ECLI:NL:CRVB:2019:3970
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering en vaststelling pgb op maximumtarief voor begeleiding groep
Appellante ontving voor de jaren 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg op grond van de AWBZ. Het zorgkantoor stelde het pgb voor deze jaren vast op lagere bedragen dan aanvankelijk toegekend en vorderde bedragen terug wegens niet-geaccepteerde kosten, met name voor begeleiding groep geleverd door Stichting [Stichting].
De rechtbank verklaarde de beroepen van appellante tegen deze besluiten ongegrond en oordeelde dat het zorgkantoor terecht uitging van het maximumtarief van €58 per dagdeel voor begeleiding groep. Appellante voerde aan dat zij redelijkerwijs mocht vertrouwen op vergoeding van het hogere tarief dat Stichting [Stichting] in rekening bracht.
De Centrale Raad van Beroep overweegt dat appellante als budgethouder verantwoordelijk is voor de verantwoording van het pgb, ook indien het beheer door haar moeder wordt gedaan vanwege haar beperkingen. De Raad oordeelt dat het zorgkantoor de kosten terecht heeft vastgesteld op het maximumtarief en dat het beroep op vertrouwen op een hoger tarief niet opgaat. De belangenafweging van het zorgkantoor wordt niet onredelijk geacht.
De Raad bevestigt de aangevallen uitspraken en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering en vaststelling van het pgb op basis van het maximumtarief en wijst het hoger beroep af.