ECLI:NL:CRVB:2019:3971
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering pgb wegens onvoldoende verantwoording zorgkosten 2013-2014
Appellant ontving voor de jaren 2013 en 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) voor AWBZ-zorg. Het zorgkantoor stelde echter vast dat appellant niet voldeed aan de pgb-verplichtingen en mat de vastgestelde bedragen en vorderde terugbetalingen.
De rechtbank oordeelde dat het zorgkantoor terecht geen hoger bedrag voor verleende zorg accepteerde en de terugvordering handhaafde. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de gefactureerde begeleiding door Stichting wel degelijk uit het pgb betaald mocht worden en dat hij erop mocht vertrouwen dat de tarieven correct waren.
De Raad oordeelt dat appellant als budgethouder verantwoordelijk is voor de verantwoording van het pgb, ook als het beheer door een ouder wordt gedaan. De stukken en toelichting boden onvoldoende inzicht in de aard en omvang van de zorgactiviteiten en de rol van de Stichting. Tevens was het onduidelijk waarom hogere tarieven dan het maximumtarief werden gehanteerd.
De Raad bevestigt dat de belangenafweging van het zorgkantoor niet onredelijk was en dat appellant het bewijsrisico draagt. De terugvordering is terecht en de hoger beroepen worden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De terugvordering van het pgb over 2013 en 2014 wordt bevestigd wegens onvoldoende verantwoording van de zorgkosten.