ECLI:NL:CRVB:2019:400
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- M. Hillen
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres. Na een onderzoek door de sociale recherche, waarbij dossieronderzoek, waarnemingen en verhoren plaatsvonden, concludeerde het college dat appellante en X vanaf 27 oktober 2015 een gezamenlijke huishouding voerden. Het college trok de bijstand in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende waren om een gezamenlijke huishouding aan te nemen. De Raad oordeelde dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van X zich op het uitkeringsadres bevond, ondanks dat X op een ander adres stond ingeschreven. De waarnemingen en verklaringen ondersteunden dit.
Ook werd vastgesteld dat er sprake was van wederzijdse zorg, onder meer door het delen van kosten, boodschappen doen en gebruik van internetvoorzieningen. De Raad concludeerde dat het college voldoende feiten had om het besluit te rechtvaardigen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Een proceskostenvergoeding werd niet toegekend.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens het niet melden van een gezamenlijke huishouding wordt bevestigd.