ECLI:NL:CRVB:2019:4007
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering pgb wegens onvoldoende verantwoording AWBZ-zorg door moeder appellante
Appellante ontving voor 2014 een persoonsgebonden budget (pgb) voor AWBZ-zorg, maar het zorgkantoor stelde dit pgb later op nihil vast en vorderde de betaalde voorschotten terug vanwege onvoldoende verantwoording. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat niet objectief kon worden vastgesteld in welke mate AWBZ-zorg door haar moeder was verleend en betaald.
In hoger beroep betoogde appellante dat het zorgplan duidelijk was en dat het zorgkantoor ten onrechte twijfels had geuit over de zorgverlening. Ook stelde zij dat haar financiële situatie terugbetaling onmogelijk maakte. De Raad overwoog dat de bewijslast bij appellante ligt en dat fouten in de administratie en onduidelijkheden in facturen en bankafschriften voor haar risico komen.
De Raad vond het zorgplan te algemeen en onvoldoende concreet en concludeerde dat het zorgkantoor terecht het pgb op nihil had vastgesteld en de terugvordering mocht doen. De belangenafweging was niet onredelijk en de financiële situatie van appellante rechtvaardigde geen andere uitkomst. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en het besluit tot vaststelling van het pgb op nihil en terugvordering van voorschotten wordt bevestigd.