ECLI:NL:CRVB:2019:4014
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen bij marginale belastbaarheid
Werkneemster was als verpleegkundige werkzaam en werd ziek gemeld vanwege strengere hygiënevoorschriften die haar met polsbrace ongeschikt maakten voor patiëntenzorg. Na een proefplaatsing als secretaresse en diverse pogingen tot administratief werk, leidde dit niet tot blijvende re-integratie. Werkneemster vroeg een WIA-uitkering aan, waarna het UWV een loonsanctie oplegde aan de werkgever wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.
De werkgever maakte bezwaar tegen de loonsanctie en stelde dat de beperkingen van werkneemster te zwaar waren ingeschat en dat er een krimpscenario binnen de organisatie was waardoor herplaatsing niet mogelijk was. De rechtbank oordeelde dat de bedrijfsarts onjuiste beperkingen had vastgesteld en dat de werkgever onvoldoende onderzoek had gedaan naar passende arbeid, mede omdat de werkgever zich te veel had laten leiden door niet-medisch onderbouwde klachten.
In hoger beroep herhaalde de werkgever haar standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep volgde de rechtbank en het UWV. De Raad stelde vast dat de werkgever onvoldoende concrete re-integratieactiviteiten had verricht na het advies om de proefplaatsing te beëindigen en eerst de belastbaarheid te verbeteren. Ook onder het krimpscenario bleef de verplichting bestaan om zorgvuldig te zoeken naar passende arbeid binnen de organisatie. Het hoger beroep werd verworpen en de loonsanctie bevestigd.
Uitkomst: De loonsanctie tegen de werkgever wordt bevestigd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen en onjuiste inschatting van belastbaarheid.