ECLI:NL:CRVB:2019:4029
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.S. van der Kolk
- M.E. Fortuin
- R.P.T. Elshoff
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herziening WIA-dagloon wegens ontbreken rechtsgrond
Appellant verzocht het UWV om herziening van zijn WIA-dagloon op grond van een vermeende ziekmelding in 2009 tijdens een dienstverband bij een werkgever. Het UWV weigerde dit verzoek omdat artikel 13a van de Wet WIA, dat herziening mogelijk maakt bij een fictief tweede recht op WIA-uitkering met een hoger dagloon, pas met ingang van 1 juli 2013 in werking is getreden en geen terugwerkende kracht heeft.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat geen rechtsgrond bestaat voor herziening van het dagloon over de periode vóór 1 juli 2013. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij aannemelijk had gemaakt dat hij ziek uit dienst was gegaan en dat hij daardoor recht had op een hoger dagloon, maar de Raad onderschreef de eerdere overwegingen.
De Raad benadrukte dat artikel 13a Wet WIA geen overgangsrecht kent en dat appellant niet onder de werking van deze bepaling valt. Ook is niet gebleken dat appellant daadwerkelijk ziek uit dienst is getreden bij de werkgever in 2009. De stelling dat appellant onevenredig hard wordt getroffen, werd verworpen omdat de wet geen hardheidsclausule bevat en de rechter formele wetgeving niet mag toetsen op billijkheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van herziening van het WIA-dagloon bevestigd.