ECLI:NL:CRVB:2019:4047
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij beëindiging Ziektewetuitkering
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om zijn Ziektewetuitkering te beëindigen per 10 april 2018, omdat hij meer dan 65% van zijn oude loon kan verdienen. Tevens heeft hij een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan om de uitkering voorlopig te laten doorlopen.
De voorzieningenrechter heeft beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang dat het noodzakelijk maakt de voorlopige voorziening toe te kennen. Verzoeker stelde dat hij financieel afhankelijk is van een bijstandsuitkering en dat hij psychische druk ervaart door de onzekerheid over zijn uitkering.
De Raad oordeelde dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een actuele financiële noodsituatie bestaat. Ook het aangeleverde schrijven van Impegno over problemen in woon- en uitkeringssituatie volstaat niet om onaanvaardbare psychische druk te bewijzen. Er is geen zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet kan worden afgewacht.
Daarom is het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. De beslissing is in het openbaar uitgesproken door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van een actueel spoedeisend belang.