ECLI:NL:CRVB:2019:4049
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke aanstelling wegens bedrijfseconomische redenen bevestigd
Appellant was vanaf 1 januari 2013 tijdelijk in dienst bij de gemeente in een proefaanstelling. Vanwege gemeentelijke herindeling en bezuinigingen werden taken uitbesteed aan een andere regeling, waardoor de tijdelijke aanstelling van appellant op 1 januari 2014 eindigde. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en kende een beperkte schadevergoeding toe wegens overschrijding van de redelijke termijn in de rechterlijke fase.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij een vaste aanstelling had moeten krijgen vanwege zijn goede functioneren. De Raad stelde dat toetsing van beëindiging van een proefaanstelling terughoudend is en dat bijzondere omstandigheden, zoals bezuinigingen, een vaste aanstelling kunnen verhinderen. Het college had de noodzaak van bezuinigingen voldoende aannemelijk gemaakt.
Verder oordeelde de Raad dat er geen sprake was van een oneerlijk proces en dat de rechtbank terecht het verzoek om aanhouding had afgewezen. Ook was er geen overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het verzoek om schadevergoeding wegens het besluit werd afgewezen omdat het besluit rechtmatig was. De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het schadevergoedingsverzoek af.
Uitkomst: De beëindiging van de tijdelijke aanstelling wordt bevestigd en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.