ECLI:NL:CRVB:2019:410
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen verdergaande terugwerkende kracht AOW-pensioen toegekend wegens ontbreken bijzonder geval
Appellante, geboren in 1939, vroeg op 29 april 2015 een AOW-pensioen aan. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende haar met ingang van 1 april 2014 een pensioen toe, met terugwerkende kracht van maximaal één jaar voor de aanvraagdatum. Appellante stelde dat zij recht had op terugwerkende kracht vanaf 2004, omdat zij niet tijdig op de hoogte was gesteld van haar rechten.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de Svb zorgvuldig had onderzocht welke verzekeringsperiodes van toepassing waren en geen bijzonder geval was vastgesteld dat een eerdere ingangsdatum rechtvaardigde. Appellante ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat onbekendheid met de wettelijke regelingen in principe geen bijzonder geval vormt, tenzij deze onbekendheid verschoonbaar is. Omdat appellante in 2004 familie in Nederland had die haar kon ondersteunen bij het aanvragen van het pensioen, was er geen sprake van een verschoonbare onbekendheid. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verwierp het hoger beroep.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door M.M. van der Kade, in aanwezigheid van griffier L. Boersma, op 7 februari 2019.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen verdergaande terugwerkende kracht wordt toegekend dan één jaar vóór de datum van aanvraag.