ECLI:NL:RBMNE:2020:3373
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verdergaande terugwerkende kracht bij toekenning AOW-pensioen
Eiser heeft op 9 september 2019 een AOW-pensioen aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf 7 juni 2016. Verweerder kende het pensioen toe met terugwerkende kracht vanaf 1 september 2018, maximaal één jaar, en verklaarde het bezwaar van eiser ongegrond. Eiser voerde aan dat hij vanwege een zwervend bestaan en onbekendheid met de regelgeving een bijzonder geval vormde, waardoor verdergaande terugwerkende kracht zou moeten worden toegekend.
De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het aannemen van een bijzonder geval. Onbekendheid met de wetgeving is volgens vaste jurisprudentie geen grond voor verdergaande terugwerkende kracht. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet tijdig een aanvraag kon indienen, mede omdat hij familie en hulpinstanties tot zijn beschikking had. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ter onderbouwing.
De rechtbank concludeert dat het besluit van verweerder rechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het vonnis is gewezen door rechter G.P. Loman op 25 augustus 2020.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om het AOW-pensioen slechts met terugwerkende kracht van één jaar toe te kennen is ongegrond verklaard.