ECLI:NL:CRVB:2019:4140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als thuishulp, meldde zich ziek met vermoeidheidsklachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV weigerde deze op grond van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid, gebaseerd op verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek. Na een melding van toegenomen klachten in 2016 werd opnieuw onderzoek gedaan, maar dit toonde geen toename van beperkingen.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit omdat nader onderzoek naar de nek- en oogklachten ontbrak, maar handhaafde de rechtsgevolgen van het besluit. In hoger beroep betoogde appellante dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar beperkingen groter waren, en verzocht zij om benoeming van een deskundige.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was, dat de geringe nekstand geen evidente beperkingen veroorzaakte en dat er geen aanwijzingen waren voor toegenomen beperkingen. Het verzoek om een deskundige werd afgewezen omdat er geen twijfel bestond over de medische grondslag.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand. Er werd geen aanleiding gezien voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.