ECLI:NL:CRVB:2019:4145
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging WIA-uitkering en vergoeding redelijke termijn
Appellant, voormalig administratief medewerker, kreeg een loongerelateerde WIA-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na herbeoordeling stelde het UWV vast dat appellant per 27 maart 2015 minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waarna de uitkering werd beëindigd. Appellant maakte bezwaar en startte een beroepsprocedure.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep werd een onafhankelijk medisch onderzoek ingesteld. De deskundige concludeerde dat appellant meer beperkingen had dan eerder vastgesteld, waarop het UWV het bezwaar deels gegrond verklaarde en de uitkering voortzette. De vraag of de beperkingen duurzaam waren bleef echter onbeantwoord.
De verzekeringsarts oordeelde dat er op de datum in geding behandelopties waren, waardoor geen sprake was van duurzaamheid in de zin van de Wet WIA. De Raad onderschreef dit standpunt en verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit ongegrond.
Appellant verzocht tevens om schadevergoeding wegens onrechtmatig besluit en overschrijding van de redelijke termijn. De Raad erkende de overschrijding van ruim tien maanden in de rechterlijke fase en kende een immateriële schadevergoeding van €1.000,- toe. Vergoeding van materiële schade werd afgewezen omdat deze reeds door wettelijke rente was gecompenseerd.
Tot slot werden proceskosten aan appellant toegekend en het griffierecht vergoed. De Raad vernietigde het oorspronkelijke besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering en bevestigde het gewijzigde besluit van het UWV.
Uitkomst: Het oorspronkelijke besluit tot beëindiging van de WIA-uitkering wordt vernietigd, het gewijzigde besluit bevestigd, en een vergoeding van €1.000,- toegekend wegens overschrijding redelijke termijn.