Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2019:4150

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 december 2019
Publicatiedatum
18 december 2019
Zaaknummer
17/4550 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit college inzake vervoersvoorziening op grond van Wmo 2015

Appellant diende op 11 juni 2015 een aanvraag in voor een maatwerkvoorziening vervoer op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015. Het college kende hem op 5 oktober 2015 een pas toe voor de regiotaxi met een maximum van 2.500 kilometer per jaar, gebaseerd op medische adviezen van SCIO die geen noodzaak voor eigen autogebruik zagen.

Appellant maakte bezwaar en kreeg op 27 september 2016 een besluit dat het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, stellende dat het college zich terecht baseerde op de medische adviezen en dat appellant deze niet met medische stukken had weerlegd.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij vanaf 11 juni 2015 recht had op vergoeding voor gebruik van een eigen auto, zoals later in 2017 ook werd toegekend. De Raad oordeelde echter dat de situatie in 2017 niet relevant was voor de periode tot en met het bestreden besluit en onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de medische adviezen zorgvuldig en juist waren.

De Raad vond geen reden om het besluit te vernietigen en bevestigde de aangevallen uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het college wordt bevestigd.

Uitspraak

17.4550 WMO15

Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van
16 mei 2017, 16/4344 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Appingedam (college)
Datum uitspraak: 18 december 2019
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Tracey hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2019. Namens appellant is mr. C. Steijgerwalt, kantoorgenoot van mr. Tracey, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.P. Koster.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden
1.1.
Op 11 juni 2015 heeft appellant een aanvraag gedaan op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 voor een maatwerkvoorziening voor vervoer.
1.2.
Bij besluit van 5 oktober 2015 heeft het college, onder verwijzing naar het advies van medisch adviseur B.J. Oosterink van SCIO Consult (SCIO) van 30 augustus 2015, aan appellant een pas toegekend voor de regiotaxi met als aantekening ‘alleen vervoer’. Appellant kan hiermee maximaal 2.500 kilometer per jaar reizen. Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen dat besluit.
1.3.
In bezwaar heeft medisch adviseur Oosterink op 4 maart 2016 een nader advies uitgebracht. In zijn advies heeft hij geconcludeerd dat er geen medische noodzaak bestaat voor vervoer per eigen auto. Het reizen met de regiotaxi is medisch verantwoord, indien appellant voorzorgsmaatregelen neemt.
1.4.
Bij besluit van 27 september 2016 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen reden tot twijfel is aan de beoordeling van de medisch adviseur van SCIO dat appellant met het nemen van de benodigde voorzorgsmaatregelen, medisch verantwoord met de regiotaxi kan reizen. Het college heeft zich op deze adviezen mogen baseren. Appellant heeft de conclusie uit de adviezen niet met medische stukken onderbouwd weerlegd. De stukken van de huisarts en de psychiater bieden geen aanknopingspunten voor de stelling dat appellant slechts is aangewezen op eigen vervoer.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat hij is aangewezen op het gebruik van een eigen auto. Daarom moet het college hem per 11 juni 2015 een vergoeding verstrekken voor de kosten van een eigen auto in een koop- en/of leaseconstructie. Dat appellant is aangewezen op een eigen auto wordt bevestigd in latere besluitvorming van het college van 1 mei 2017 en 3 november 2017 waarbij het college appellant in aanmerking heeft gebracht voor een vervoerskostenvergoeding voor het gebruik van een eigen auto en vervolgens voor het gebruik van een leaseauto.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling
4.1.
Voorop staat dat de voor de beoordeling van belang zijnde periode loopt vanaf de aanvraag op 11 juni 2015 tot en met het bestreden besluit op 27 september 2016.
4.2.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het college het bestreden besluit mocht baseren op de medische adviezen van SCIO van 30 augustus 2015 en 4 maart 2016. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat deze adviezen niet zorgvuldig tot stand zijn gekomen of dat deze adviezen niet concludent of anderszins onjuist zijn. In de in hoger beroep door appellant overgelegde informatie vindt de Raad geen steun om tot een ander oordeel te komen. Dat het college appellant per 1 mei 2017 een vervoerskostenvergoeding heeft toegekend voor het gebruik van de eigen auto en vervolgens een vergoeding voor het gebruik van een leaseauto maakt dit niet anders. Niet is gebleken dat de in 2017 geconstateerde situatie dat appellant was aangewezen op het gebruik van de eigen auto
,ook van toepassing is op de hier voor de beoordeling van belang zijnde periode. Dit volgt ook niet uit het advies van 10 april 2017 van de medisch adviseur Van Diermen. Dat in de brief van Van Diermen van 3 april 2017, geschreven in het kader van een procedure over een gehandicaptenparkeerkaart, is aangegeven dat de brief van de psychiater van 26 februari 2017 exact dezelfde diagnose en mate van functioneren vermeldt als zijn brief van 1 oktober 2015 betekent niet dat appellant geen gebruik kon maken van de regiotaxi in de hier te beoordelen periode.
4.3.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en N.R. Docter en G. van der Wiel als leden, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2019.
(getekend) D.S. de Vries
(getekend) M. Buur