ECLI:NL:CRVB:2019:416
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen recht meer op ziekengeld wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag
Appellante was werkzaam als kantoormedewerkster en meldde zich op 20 oktober 2014 ziek met fysieke en psychische klachten. Na beëindiging van het dienstverband werd zij in aanmerking gebracht voor ziekengeld onder de Ziektewet. Een verzekeringsarts en arbeidsdeskundige stelden vast dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarop het UWV het recht op ziekengeld beëindigde.
Appellante maakte bezwaar en het UWV stelde het einde van het recht op ziekengeld uit tot 6 mei 2016. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij het medisch en arbeidskundig onderzoek van het UWV als zorgvuldig beoordeelde. Appellante ging in hoger beroep en voerde aan dat het onderzoek onzorgvuldig was en dat haar belastbaarheid werd overschat.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe gronden bevatte die aanleiding geven het oordeel van de rechtbank te wijzigen. Het medisch onderzoek was zorgvuldig, er was geen aanleiding tot twijfel aan de belastbaarheid, en de arbeidskundige selectie van functies was voldoende gemotiveerd. Eventuele verslechtering van haar gezondheid kon niet worden meegenomen zonder concrete medische stukken.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het recht op ziekengeld wordt bevestigd.