ECLI:NL:CRVB:2019:4165
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging toeslag WIA-uitkering wegens niet-naleving woonplaatsvereiste
Appellant, met de Turkse nationaliteit, heeft in Nederland gewoond en gewerkt en ontving een WIA-uitkering gebaseerd op 43% arbeidsongeschiktheid. Na afstand van de Nederlandse nationaliteit en remigratie naar Turkije in november 2012, vroeg appellant in mei 2015 een toeslag aan op zijn WIA-uitkering. Het UWV kende deze toeslag toe, maar beëindigde deze later omdat de toekenning onrechtmatig was.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond. Appellant stelde dat het beleid van het UWV toestond dat ook vanuit Turkije toeslag kon worden aangevraagd en beriep zich op het gelijkheidsbeginsel en het arrest Akdas c.s. De Centrale Raad van Beroep hield de zaak aan voor een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de EU, dat in 2019 het arrest Çoban wees.
De Raad concludeert dat de situatie van appellant niet onder de werkingssfeer van artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80 valt, omdat appellant voorafgaand aan vertrek geen toeslag ontving en zijn aanvraag van 2015 een nieuwe aanvraag betrof. Het woonplaatsvereiste van artikel 4a van de Toeslagenwet geldt derhalve. Het beroep van appellant faalt en de beëindiging van de toeslag is terecht. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
Uitkomst: De beëindiging van de toeslag op de WIA-uitkering is terecht vanwege het woonplaatsvereiste en het ontbreken van een verworven recht onder Besluit 3/80.