ECLI:NL:CRVB:2019:4181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, werkzaam als medewerker wasserij, meldde zich ziek met lichamelijke en later psychische klachten. Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geen recht heeft op een WIA-uitkering. Het Uwv weigerde de uitkering en verklaarde het bezwaar ongegrond.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de conclusies van de verzekeringsarts betrouwbaar. De FML was volledig en correct opgesteld, en de arbeidskundige selectie van functies passend voor appellant was voldoende gemotiveerd.
In hoger beroep stelde appellant dat onterecht geen urenbeperking was aangenomen en dat onvoldoende waarde was gehecht aan het afwijkende oordeel van de bedrijfsarts. De Raad volgde dit niet, benadrukkend dat de FML van de bedrijfsarts een ander doel dient dan de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling door de verzekeringsarts.
De Raad concludeerde dat het Uwv terecht het arbeidsongeschiktheidspercentage op minder dan 35% heeft vastgesteld en de WIA-uitkering heeft geweigerd. De aangevallen uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.