ECLI:NL:CRVB:2019:4210
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid college tot verrekening loonvervangende uitkering met bijstand
Appellant ontving bijstand op grond van de Participatiewet als aanvulling op inkomsten uit arbeid bij een kwekerij. Het college van burgemeester en wethouders van Westland heeft bij besluit de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 16 november 2015 tot en met 25 maart 2016 teruggevorderd en verrekend, omdat appellant achteraf loonvervangende uitkeringen ontving van het UWV vanwege het faillissement van zijn werkgever.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en maakt onderscheid tussen twee perioden: in de eerste periode ontving appellant bijstand en later loonvervangende uitkeringen, terwijl in de tweede periode appellant geen loon ontving maar wel loonvervangende uitkeringen. Appellant stelde dat hij in de eerste periode geen loon had ontvangen, maar dit werd verworpen op grond van schriftelijke verklaringen en salarisspecificaties die aantonen dat hij loon contant ontving.
Ook de stelling dat de werkgever geen contant geld had vanwege het faillissement werd niet aannemelijk geacht, mede omdat appellant zelf geld had voorgeschoten en terugontvangen. Over de tweede periode was het niet in geschil dat appellant geen loon ontving, maar wel loonvervangende uitkeringen, die terecht met de bijstand zijn verrekend. De Raad concludeert dat het college bevoegd was de teveel betaalde bijstand terug te vorderen en het hoger beroep wordt afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college is bevoegd de loonvervangende uitkering in mindering te brengen op de bijstand.