ECLI:NL:CRVB:2019:4248
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging toeslag WIA-uitkering na remigratie naar Turkije bevestigd op grond van associatierecht
Appellant, een Turkse staatsburger die sinds 2000 in Nederland woonde en werkte, ontving een WIA-uitkering met toeslag. Na remigratie naar Turkije per 3 maart 2015 beëindigde het UWV de toeslag op grond van artikel 4a van de Toeslagenwet, omdat appellant niet langer in Nederland woonde.
Appellant stelde dat het arrest Akdas c.s. van het Hof van Justitie EU op hem van toepassing was en dat hij zijn toeslag moest kunnen behouden. De rechtbank wees dit af, oordelend dat appellant slechts gedeeltelijk arbeidsongeschikt was en zijn arbeidsmarktpositie niet definitief had verlaten.
De Centrale Raad van Beroep wachtte de prejudiciële uitspraak in de zaak Çoban af, waarin werd geoordeeld dat voor aanspraken op grond van het associatierecht uitsluitend de situatie ten tijde van vertrek uit Nederland relevant is. De Raad concludeerde dat appellant, net als Çoban, ten tijde van vertrek een geldige verblijfsvergunning bezat en daarmee aan het woonplaatsvereiste voldeed.
De Raad oordeelde dat artikel 6, eerste lid, van Besluit 3/80, gelezen in samenhang met artikel 59 van Pro het Aanvullend Protocol, zich niet verzet tegen een nationale bepaling als artikel 4a van de Toeslagenwet. Het UWV heeft de toeslag dan ook terecht beëindigd. Het hoger beroep wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De toeslag op de WIA-uitkering van appellant is terecht beëindigd na zijn remigratie naar Turkije.