ECLI:NL:CRVB:2019:4278
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellante is sinds 2012 ziek gemeld met psychische klachten en vermoeidheid en ontving vanaf 2014 een WGA-uitkering op basis van 38% arbeidsongeschiktheid. Na een herbeoordeling in 2016 stelde het UWV vast dat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot 32,7%, waarna de WIA-uitkering werd beëindigd per 21 december 2016.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beslissing ongegrond, omdat de medische beoordeling zorgvuldig was en geen objectief medisch bewijs bestond voor toegenomen beperkingen door het B12-tekort of CVS. De Raad bevestigt dit oordeel na bestudering van medische rapporten, waaronder die van internisten, verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
De Raad oordeelt dat de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid en de beëindiging van de uitkering terecht zijn. De aangevoerde klachten en medische stukken bieden onvoldoende aanleiding om het oordeel van het UWV te wijzigen. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.