ECLI:NL:CRVB:2019:4334
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens beschikken over vermogen boven vermogensgrens
Appellant ontving bijstand over de periode van 28 juli 2014 tot en met 31 maart 2016. Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam trok deze bijstand in en vorderde de kosten terug omdat appellant beschikte over een en/of rekening met een saldo van €36.324,-, wat boven de vermogensgrens viel. Appellant had deze rekening niet gemeld, waarmee hij de inlichtingenplicht schond.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. Appellant voerde aan dat hij niet over het tegoed kon beschikken omdat het geld van zijn moeder was, hij geen bankpas had en nooit geld had opgenomen. Deze stellingen werden niet aannemelijk gemaakt met objectieve en verifieerbare gegevens. Ook de verklaringen van zijn moeder, broer en neef waren niet consistent.
Verder stelde appellant dat het hem niet duidelijk was dat de rekening ook op zijn naam stond. De Raad oordeelde dat appellant dit wel wist, gezien zijn handtekening onder de bankovereenkomst, het bezit van een bankpas op zijn naam en de bankafschriften die op zijn adres waren geadresseerd. Het hoger beroep werd afgewezen en de intrekking van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.