ECLI:NL:CRVB:2019:4347
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, laatst werkzaam als hulp in de thuiszorg, kreeg een WIA-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45-55%. Na bezwaar en heronderzoek door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige werd dit percentage verlaagd tot minder dan 35%, waarna het Uwv besloot de uitkering te beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordelend dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) voldoende rekening hield met haar klachten.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar belastbaarheid en beperkingen, met name psychische klachten zoals pleinvrees en paniekaanvallen, onvoldoende waren meegewogen en dat het Uwv onvoldoende onderzoek had gedaan naar haar lichamelijke klachten. Zij stelde dat zij niet in staat was om de geselecteerde functies te vervullen en verwees naar een latere volledige arbeidsongeschiktheidsverklaring.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was, dat er geen aanleiding was tot aanvullend onderzoek, en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep de psychische en lichamelijke klachten adequaat had beoordeeld. De Raad vond geen bewijs dat de situatie op de relevante data vergelijkbaar was met de latere volledige arbeidsongeschiktheid. De rechtbank werd gevolgd in haar oordeel dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren voor appellante. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.