ECLI:NL:CRVB:2019:473
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faillissementsuitkering wegens overgang van onderneming
Appellant was werknemer bij een onderneming die failliet werd verklaard. Hij verzocht het UWV om een faillissementsuitkering wegens betalingsonmacht van zijn werkgever. Het UWV wees dit verzoek af omdat op basis van artikel 7:662 BW Pro sprake was van overgang van onderneming naar een holding, waardoor de rechten en plichten uit de arbeidsovereenkomst op de nieuwe werkgever waren overgegaan.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de identiteit van de onderneming was behouden en dat de activiteiten en het personeel feitelijk waren voortgezet door de holding. Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank onjuiste feiten had aangenomen en dat de activiteiten van de holding wezenlijk anders waren, waardoor geen overgang van onderneming zou zijn.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en stelde vast dat de herkenbare activiteiten zonder onderbreking waren voortgezet door de holding, en dat het feit dat de holding ook andere activiteiten verrichtte niet relevant was. Omdat appellant niet had aangetoond dat de holding in staat van blijvende betalingsonmacht verkeerde, was het UWV terecht niet gehouden de betalingsverplichtingen over te nemen.
Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De aanvraag van appellant voor een faillissementsuitkering is afgewezen wegens overgang van onderneming.