ECLI:NL:CRVB:2019:485
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling motivering voortzetting ziekengeld na betwisting arbeidsongeschiktheid
Werkneemster was hartfunctie laborante en meldde zich ziek met schouder- en nekklachten. Na ontslag werd zij ziekengeld toegekend door het UWV. De werkgever betwistte de mate van arbeidsongeschiktheid, waarna het UWV het recht op ziekengeld voortzette op basis van rapporten van verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen.
De rechtbank vernietigde het besluit wegens onvoldoende motivering van beperkingen op zitten, lopen en staan, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De werkgever ging in hoger beroep tegen dit laatste standpunt en stelde dat de motivering onvoldoende was en verzocht om benoeming van een onafhankelijke deskundige.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek en motivering heeft geleverd, met name omdat de verzekeringsarts aannames deed zonder duidelijke onderbouwing en de medische informatie niet consistent was. Desondanks blijven de rechtsgevolgen van het besluit in stand vanwege de wettelijke regeling dat intrekking of verlaging van ziekengeld niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht van de werkgever en bevestigde de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden.
Uitkomst: De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank, oordeelt dat het UWV onvoldoende heeft gemotiveerd, maar laat de rechtsgevolgen van het besluit in stand.