ECLI:NL:CRVB:2019:491
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit AOW-ingangsdatum wegens onvoldoende individueel feitenonderzoek
Appellante, geboren in 1951, ging in september 2011 vervroegd met pensioen en verzocht in 2016 om AOW-pensioen vanaf 21 september 2016. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) weigerde dit omdat zij de AOW-leeftijd nog niet had bereikt. Na bezwaar verklaarde de Svb het bezwaar ongegrond, met toepassing van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd, waardoor appellante recht heeft op AOW vanaf 21 juni 2017.
De Svb toetste of appellante door het zogenoemde AOW-gat van negen maanden een onevenredig zware last droeg, waarbij zij aansluiting zocht bij de voorwaarden van de Tijdelijke regeling overbruggingsuitkering AOW (OBR). Omdat appellante niet voldeed aan de inkomenseis voor een overbruggingsuitkering, concludeerde de Svb dat er geen sprake was van een onevenredig zware last. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
Appellante stelde dat een toetsing aan de OBR-voorwaarden onvoldoende is en dat een deugdelijk individueel feitenonderzoek vereist is, inclusief haar vermogenspositie en andere financiële effecten zoals de ABP-versleepregeling. De Raad oordeelde dat de Svb aanvankelijk onvoldoende onderzoek deed, maar inmiddels ook individuele omstandigheden meeneemt. De Raad vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende onderzoek, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen in stand blijven omdat geen onevenredige last is gebleken.
De Raad veroordeelde de Svb in de proceskosten en bepaalde dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende individueel feitenonderzoek, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.